“Neem jezelf vooral niet te serieus”

Annemarie Jorritsma is formeel met pensioen. Omdat ze niet het type mens is om stil te zitten, is ze één dag in de week in de Eerste Kamer te vinden als VVD fractielid. Daarnaast doet ze een aantal commissariaten en een voorzitterschap. Door de week is ze druk, de weekenden zijn meestal vrij.

Volgens politicus Annemarie Jorritsma gaat het goed met Nederland. “We zijn alleen zeurpieten geworden.” Dit komt volgens haar onder meer door de wereldsituatie en de digitalisering. “Denk aan de witte testosteronmannen als Trump, Erdogan en Poetin. Deze heren veroorzaken veel onrust in de wereld,” vindt ze en gaat verder: “Mensen worden ook onrustig door social media. Allerlei nieuws en fake nieuws gaat snel het land door en richt al schade aan voordat het echte verhaal een kans krijgt. Sterker nog: veel mensen zien het echte verhaal niet meer omdat ze de krant minder lezen en het nieuws op tv amper meer kijken. Daardoor krijgen ze geen achtergrondverhalen mee. Onzin stijgt hierdoor tot grote hoogte. Doordat de pers en de politiek hier nog geen antwoord op hebben, zie je krachten ontstaan waarbij de flanken populairder worden en de partijen die het waar moeten maken minder populair. Dit leidt tot ingewikkelde constructen om nog een beetje te kunnen regeren.”

Goed voorbereid
Door de internationale ontwikkelingen en de digitalisering vindt Annemarie het een ingewikkelde tijd. “We zitten politiek in een transitietijd, maar economisch gaat het fantastisch. Zeker in vergelijking met andere landen doen we het enorm goed. Zo is de werkgelegenheid fors gestegen en hebben we zelfs weer kraptes op de arbeidsmarkt. Daar word ik vrolijk van. We moeten nadenken hoe we alle vacatures ingevuld krijgen. Hoe kunnen we meisjes en vrouwen de kant van de techniek en de zorg op laten gaan in plaats van naar kantoorbanen die er minder komen? We moeten erover nadenken hoe we dit structureel goed kunnen aanpakken.” Er zullen ongetwijfeld momenten komen dat het economisch minder gaat, maar Annemarie denkt dat het niet zo erg meer wordt als aan het begin van de vorige crisis. “We hebben veel hervormd en zijn nu veel beter voorbereid.”

Voedingsbodem voor innovatie
Op de vraag hoe we in haar ogen Nederland nóg verder zouden kunnen brengen, zegt ze resoluut: “Minder mensen in deeltijd. Naast vijf dagen, is wat mij betreft vier dagen ook voltijd. Daarmee kunnen de meeste mensen over het algemeen een inkomen verwerven waarmee ze economisch zelfstandig kunnen zijn. Hierdoor hebben meer mensen een baan, hebben we minder tekorten in de zorg en het onderwijs en het zorgt bovendien voor meer vrijheid en gelijkwaardigheid. Waardoor meer vrouwen aan het werk komen en daarmee meer kansen hebben om richting de top door te stromen. Kortom: Een vierdaagse werkweek is overal goed voor. We moeten ophouden om trots te zijn op ‘Nederland parttime land’.”

Verder moeten we volgens haar zorgen voor innovaties om lastige problemen rondom klimaat en digitalisering op te lossen. Nederland moet een goede voedingsbodem blijven voor innovatie. “We hebben een tamelijk intensieve samenwerking tussen universiteiten, overheden en bedrijven, maar dat kan altijd beter.”

Keuzevrijheid
De publiek-private samenwerking kan volgens de oud-minister Van Verkeer en Waterstaat (Kabinet Kok I) en minister van Economische Zaken/vicepremier (Kabinet Kok II) veel beter. Marktwerking heeft helaas een beetje een vieze smaak gekregen. Ik noem het liever keuzevrijheid. Je moet altijd goed nadenken voordat je mensen afhankelijk maakt van een monopolist, ofwel de overheid. Als je toch enigszins kunt kiezen tussen verschillende aanbieders, dan moet dát wat mij betreft de voorkeur hebben. Deze vrijheid van keuze levert betere garanties op voor kwaliteit. Als je namelijk niet zeker bent van je klandizie doe je beter je best dan als ze toch wel komen. Simpel zat.”

Dat vraagt om samenwerking en dat is wat haar betreft lang niet zo moeilijk als het soms lijkt. “Als je maar niet altijd je eigen mening voorop stelt en bereid bent compromissen te sluiten. Ik weet dat sommige mensen bezwaar hebben tegen compromissen. Maar zonder, kom je er niet. Op je werk kun je niet eigenwijs zijn en alleen dingen doen die jij belangrijk vindt. Dat hou je nooit lang vol. Ik vraag mensen ook weleens of een langdurige relatie er nog zou zijn zonder compromissen. In de hele maatschappij gaat het erom: hoe goed kun je samenwerken?” Annemarie weet als geen ander hoe dat moet. In haar functies als minister, als burgemeester van Almere en nu ook als Eerste Kamerlid is het altijd ‘rekening houden met’. Als Annemarie thuis is, gaat dat verder. Ze woont namelijk samen met haar man en nog twee gezinnen in één huis.

Geven en nemen
Annemarie vertelt: “Mijn man en ik wonen samen met onze twee dochters, hun mannen en totaal vier kinderen in één groot huis met drie woningen. Het is een kwestie van geven en nemen. Dat betekent onder meer dat je niet voortdurend je eigen mening vooropstelt. Ook hier moet je bereid zijn compromissen te sluiten. Het is fijn om met elkaar te wonen en dat werkt voor ons uitstekend. Het verloopt eigenlijk automatisch. Heeft de een het druk, dan helpt de ander. Dat is wederkerig. Soms worden we ingezet als oppas voor de kleinkinderen of help ik achter de bar bij de skischool van mijn dochter. Als je onder één dak woont, help je elkaar. Als iedereen z’n best doet het een beetje leuk te houden voor een ander dan kom je heel ver.”

Annemarie verduidelijkt: “Je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn. Zeker niet over dingen waar je gezamenlijk niets mee hoeft.” Haar vader was molenaar en zei altijd: Laat wieken draaien en de molens loeien, laat ieder zich met zichzelf bemoeien. “Toen wij met drie gezinnen gingen bouwen, dachten we dat we veel met elkaar zouden moeten praten, maar dat valt reuze mee. Er zijn een paar basisafspraken die je met elkaar maakt. Dat is belangrijk in alles wat ik doe. In de basis moet het goed zitten en moet je elkaar kunnen vertrouwen. Als dát goed zit, kun je zonder te veel gepraat veel met elkaar regelen.”

Zelfrelativering en zelfspot
Belangrijkste in een samenwerking is dat je je ego niet voortdurend de baas laat zijn. Het is een kwestie van luisteren wat een ander wil en dan pas te kijken hoe je wat jíj wil erbij kan voegen. Dus niet alleen maar praten en zenden en zeggen wat jíj wil. Wat ik ook belangrijk vind, is dat we onszelf niet te serieus nemen. Ik houd van zelfrelativering en zelfspot. Zowel in het werk als privé is het van belang niet alles even zwaar op te pakken. Durf je zelf af en toe ter discussie te stellen, dat is heel gezond voor de mens!”

“Als we allemaal hetzelfde doen, komen we geen stap verder”

cepezed is een architectenbureau dat op een eigentijdse manier naar bouwen kijkt. Uitgangspunten zijn bouwen met een minimum aan materialen en een maximale aanpasbaarheid voor flexibel gebruik in de toekomst. Het bureau past daarvoor innovatieve technieken toe en assembleert gebouwen met geprefabriceerde bouwcomponenten.

De drang naar efficiënt en duurzaam bouwen is bij cepezed diep verankerd en heeft er mede toe geleid dat het architectenbureau ook zusterbedrijven heeft opgericht voor projectontwikkeling (cepezedprojects), interieurontwerp (cepezedinterieur) en uitvoeringscoördinatie (cepezedbouwteam).

Kennisontwikkeling en innovatie
Architect en partner Ronald Schleurholts kijkt terug. “Vanuit de ambitie slimmer en hoogwaardiger te bouwen, richten we ons op vergaande prefabricage. Daarvoor werken we nauw samen met producenten en leveranciers. Zij weten immers goed wat ze kunnen maken. Bovendien willen zij zich onderscheiden van hun concurrenten. Het is dus een manier van werken die ook kennisontwikkeling en innovatie aanjaagt.” ‘Hoofdaannemers’ blijken echter vaak bepaalde producten niet tegen reële prijzen aan te bieden. Deels door onbekendheid met het materiaal, deels door andere belangen bij inkooptrajecten. “Bij verschillende projecten hebben we daarom besloten de hoofdaannemer dan maar over te slaan. We coördineren dan zelf direct de inkoop en de uitvoering. Met deze werkwijze kunnen we voor hetzelfde geld betere kwaliteit leveren. Inmiddels ontwikkelt de bouw zich overigens ook in deze richting: hoofdaannemers worden steeds meer inkoop- en coördinatiespecialisten, ze produceren nog maar weinig zelf.”

Passie en vakmanschap centraal
cepezed bestaat al 45 jaar en is geleidelijk gegroeid tot ruim 70 mensen. “Het gevaar van groeiende organisaties is vaak dat de liefde voor het eigen vak naar de achtergrond verdwijnt. Dat er stroperigheid ontstaat, met diffuse verantwoordelijkheden en minder betrokkenheid,” weet Ronald. Met de aanpak van cepezed is hij daar niet bang voor. “Wij zijn een vlakke organisatie waarin de projecten centraal staan. Elk project heeft een eigen projectleider die het hele traject verantwoordelijk blijft. Naar gelang de stand van het project krijgt deze ondersteuning van uiteenlopende ontwerpers en specialisten. Bij de teamsamenstelling zoeken we natuurlijk naar mensen met affiniteit en enthousiasme voor de opgave. Dit zorgt voor passie, een hechte samenwerking en continuïteit. De kern van het team blijft dus het hele traject gelijk. Als we zelf ook de inkoop en bouw coördineren, gaat dit zó ver dat een architect uit het ontwerptraject zelfs meewerkt in de werkvoorbereiding. In traditionele processen gaat namelijk veel kwaliteit verloren in de breuk tussen ontwerptraject en bouwproces,’’ vertelt Ronald.

Positieve energie

“Architectuur is zóveel meer dan alleen een leuk idee,” vindt Ronald. “Bovenal geloven wij niet in ‘monumenten voor de architect’. We ontwerpen echt voor mensen en werken keihard aan gebouwen waarin het fijn is om te zijn, met veel daglicht en een aangenaam binnenklimaat. Die moeten dan ook nog milieuvriendelijk zijn en toekomstgericht, met veel mogelijkheden tot steeds ander gebruik. Het wordingsproces vraagt om eindeloze communicatie, afstemming en een steeds complexer procesmanagement. In ontwerpprocessen heb je continu te maken met een steeds breder scala aan eisen en vaak wisselende wensen. Tegelijkertijd moeten we binnen strakke kaders te leveren. We proberen op een zo los en open mogelijke manier grip te houden. Onderweg blijven we gespitst op kansen om tot betere en duurzamere oplossingen te komen. De allerbelangrijkste drijver in een proces is echter een opdrachtgever met visie, ambitie en oog voor kwaliteit.”

Integrale afwegingen

“Net als in andere sectoren zijn de processen in de architectuur en bouw de afgelopen decennia steeds verder versnipperd,” weet Schleurholts. “Dat komt onder meer doordat er steeds meer technische en procesmatige eisen aan de totstandkoming van gebouwen gesteld worden. Bij aanvang van een ontwerptraject heb je dus al een enorme reeks technische specialisten aan tafel. De wensen en belangen van gebruikers, opdrachtgevers en overheidsinstanties komen daar nog eens bij. Al die verschillende partijen en specialisten komen niet vanzelf tot een samenhangend, gebalanceerd project. Onze rol als architect ligt daarom voor een belangrijk deel in afstemming. Aan de hand van een eerste ruimtelijke structuur, die houvast biedt, doen we dat onder meer door het initiëren en stimuleren van samenwerking tussen alle technische adviseurs, die zo tot integrale afwegingen komen.”

Open mind

Ronald heeft daarvoor wel goede partijen nodig, die aan de ontwerptafel echt met goede en soms onconventionele voorstellen komen. “Als we allemaal hetzelfde doen, komen we geen stap verder. We moeten elkaar aanvullen en scherp houden. Spanning mag op z’n tijd, als er maar onderliggend vertrouwen en respect is. Dat is de basis van een succesvolle samenwerking. In een goede samenwerking kun je niet-gestelde vragen beantwoorden, kun je een project echt meerwaarde geven en binnen alle stringente kaders tot verrassende oplossingen komen. Van onze ontwerppartners verwachten we dan ook een open mind én brede actuele kennis. We vragen ze over hun eigen disciplines heen te kijken en innovatieve oplossingen aan te dragen. We delen met elkaar waar we tegenaan lopen. We mogen niet vergeten dat we in een dienstverlenende sector werken en klanten in breedste zin van het woord willen ontzorgen. We willen inspireren en verrassen met een team dat goed loopt.”

Nieuwe eisen, trends en ontwikkelingen

De gebouwen van cepezed zijn opgezet als een soort groot bouwpakket dat schoon en droog wordt geassembleerd met geprefabriceerde bouwcomponenten. Lassen, storten en rommelen op de bouwplaats zelf is dus niet meer nodig: alle componenten worden ‘just in time’ aangeleverd en op de bouwplaats direct gemonteerd. Dit leidt niet alleen tot een hogere kwaliteit, maar ook tot efficiënter materiaalgebruik, een beter afvalmanagement en gezondere arbeidsomstandigheden.

Het denken in bouwsystemen heeft het daarnaast bovendien mogelijk gemaakt voortdurend in te spelen op nieuwe trends, eisen en ontwikkelingen. Zo draagt droge montage in belangrijke mate bij aan circulariteit. Onderdelen zijn binnen de methodiek ook eenvoudig te demonteren en vervolgens goed te hergebruiken. Ook biedt een bouwsysteem op basis van prefabricage de mogelijkheid onderdelen in het bouwpakket gedurende de levensduur te vervangen door verbeterde of verduurzaamde alternatieven. Prefab bouwen sluit ook goed aan op de trend van digitalisering. Schleurholts: “Met losse componenten bouwen we al virtueel in de computer. De heldere samenstelling uit elementen is daarbij ook gunstig voor de kostenbeheersing, toetsing aan de wetgeving en de uitvoeringscoördinatie. Het gaat zelfs zo ver dat we eisen vanuit het programma en de wetgeving in een database kunnen opnemen en die direct aan ons computermodel kunnen koppelen. Dat verbetert de borging op allerlei aspecten enorm. De digitale wereld is snel en biedt veel controle. Dat scheelt enorm in faalkosten bij de feitelijke bouw.”

Schiphol

cepezed kan volgens Ronald nog verder groeien door meer allianties aan te gaan. “We zijn de afgelopen jaren breder geworden in onze eigen dienstverlening, maar daarnaast is het slim meer samenwerkingen aan te gaan. De nieuwe pier van Schiphol hebben we via een ambitieuze internationale prijsvraag binnengehaald door samen te werken met een Amerikaans ingenieursbureau dat brede luchtvaartspecifieke kennis heeft. Met onze heldere signatuur konden wij goed het typische Nederlandse Schiphol DNA doorgronden en dat doorontwikkelen in ons ontwerp voor een pier met een duurzamere, luchtige architectuur. Dat zijn mooie en succesvolle samenwerkingsvormen.”

“De nieuwe kijk op de arbeidsmarkt vraagt om écht ondernemerschap”

Marjolein analyseert als directeur arbeidsmarkt trends en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Voor Randstad inventariseert en duidt ze deze en maakt haar bevindingen toegankelijk met artikelen, lezingen, gastdocentschappen en als spreker voor radio en televisie. “Als organisatie willen wij hiermee een bijdrage leveren aan de veranderende arbeidsmarkt. Hiermee proberen we de wereld een beetje beter te maken.”

We voelen allemaal dat er iets speelt en verandert in de wereld en dus ook op de arbeidsmarkt. De oude zekerheid om vanaf school tot aan de pensioengerechtigde leeftijd bij een bedrijf te werken in een vastomlijnde functie is er niet meer bij. “Hoe kan men met een zekere zekerheid in de toekomstige maatschappij leven, wonen, werken, leren en uitrusten?”

Onzekere uitkomst

Marjolein stelt: “We moeten ons realiseren dat het statische voorbij is. Ontwikkelingen kun je alleen bijbenen met bewegen en aanpassen.” Het is weliswaar een andere wereld, maar volgens haar niet per se een onzekerdere of onveiligere wereld. “Maar dan moeten we wel bepaalde zaken toekomstgerichter gaan organiseren. Ik merk dat mensen het lastig vinden om naar een niet-vastomlijnd doel te bewegen. We kennen binnen de arbeidsmarkt de factoren die arbeid beïnvloedt, maar de uitkomst waar we dan heen zouden moeten bewegen, is onbekend.” Ze doelt hier vooral op factoren als technologische ontwikkelingen, verduurzaming, de steeds ouder wordende mens en globalisering 4.0.

Baanbrekende oplossingen

Marjolein schetst: “Voorheen was alles duidelijk afgebakend. Dit is van ‘onderwijs’, dát is een ‘werkgever’, ‘dít is de verantwoordelijkheid van de overheid’ en daar gaat ‘dé vakbond’ over. Die onderverdeling is vertroebeld. De komende jaren verkennen we wat van wie is en zullen we ontdekken dat we moeten samenwerken. Dat kan niet meer op de oude manier,” voorspelt deze arbeidsmarktdeskundige/kenner. “We kunnen slecht over ons eigen belang en logo heen kijken. Vinden het zelfs verdacht als een ander dat wél doet,” weet Marjolein en benadrukt: “Samenwerken komt niet aanwaaien. Het vraagt om vertrouwen, elkaar iets gunnen, het eens zijn met elkaar. In het oude systeem was er één winnaar die met een idee aan de haal ging. We moeten nu op zoek naar het gezamenlijke uitkomst en gewin, zonder dat iemand de held wordt. Samenwerkende partijen kunnen dan tot baanbrekende oplossingen komen. Deze manier van kijken en werken heeft zijn weerslag op alle partijen in het ecosysteem.”

Publieke-private samenwerking

We hebben de samenwerking tussen overheid en het bedrijfsleven een beetje laten versloffen, maar Marjolein ziet deze samenwerking als veelbelovend. “Ik zie hele mooie dingen ontstaan als bijvoorbeeld onderwijs, bedrijfsleven en gemeentes samen aan de slag gaan. We mogen trots zijn op ‘het innoveren’ op zich. Dan bedoel ik niet alleen het einddoel, maar ook op het proces ernaar toe. De energie die je erin stopt is nodig om goed samen te werken. Dat mogen we vaker met elkaar delen.” Binnen het mbo ziet ze mensen uit het bedrijfsleven lesgeven om leerlingen eerder met nieuwe of bestaande beroepen in aanmerking te komen. “Een ander mooi voorbeeld is de Perspectiefverklaring die we met verschillende partijen hebben ontwikkeld.” Ze legt uit: “Mensen die geen vast contract hebben zijn hiermee wel in staat om voldoende perspectief aan een financieel dienstverlener te tonen op basis waarvan deze een hypotheek kan verstrekken.” Het gaat dus om flexwerkers die zonder een vast inkomen tóch perspectief op de arbeidsmarkt hebben. Dus werkzekerheid boven inkomenszekerheid. Ideaal voor uitzendkrachten.

Experimenteren
“Er liggen zoveel mooie dingen in het verschiet als we open en met elkaar in gesprek gaan. Ik weet ook niet hoe de toekomst eruit gaat zien, maar het is belangrijk dat we naar elkaar toe bewegen om het werkend te krijgen. Hier is lef, geduld en vertrouwen voor nodig. We moeten er open over zijn dat we elkaar niet altijd snappen. We moeten elkaar durven bevragen of we op de goede weg zijn. En ons durven verdiepen in nieuwe technologieën. Niet alleen via formele scholing, maar ook zelf op zoek gaan op bijvoorbeeld het web. Durf jezelf de vraag te stellen of je het snapt en kijk wat ontwikkelingen betekenen voor je product, dienst of businessmodel. En durf je dan te experimenteren?”

Experimenteren vinden we volgens Marjolein spannend. In de industrieelverzorgde wereld zijn we gewend dat alleen binnen de lijntjes kleuren, beloond wordt. “De nieuwe kijk op de arbeidsmarkt vraagt dus om écht ondernemerschap. Aan iedere directiekamer of boardroom vragen mensen zich af of ze het goed doen. Of iets een kans is of niet. Dit gaat zóveel verder dan een beetje aan business development doen. Het is belangrijk dat we écht met iets komen waar de consument van de toekomst op zit te wachten. Ooit was de vraag: ‘Wat doet digitale technologie met fotografie?’ Sommigen gingen ermee aan de slag. Anderen niet en dan stierf een wereldmerk.”

Solidair en sociaal

Marjolein wil mensen inzicht geven dat deze discussie over de toekomst van werk niet langs een contractsoort gevoerd moet worden. “Het gaat erom wat mensen nodig hebben om zich in de maatschappij staande te houden en te ontwikkelen. Werk helpt daarbij. Dat zorgt voor inkomen, netwerk, leren, status, plezier, etc. We zijn de scheiding gaan maken dat sommigen een veiligere situatie hebben omdat ze in dienstverband werken, dan anderen. We leven in een wereld waarin een baan niet meer voor het leven is. Deze ontwikkeling moeten we met moderne zekerheid omgeven. Oud-denken over zekerheid heeft een eeuwigheid in zich. Als die eeuwigheid weg is, kun je denken aan andere producten. Iedereen moet toch mee kunnen doen op de arbeidsmarkt en op een eigen manier kunnen bijdragen? Het mooie aan deze kant van de wereld is dat we dat solidair en sociaal organiseren.”

Toekomstige arbeidsmarkt

Onderzoek toont aan dat over 20 jaar de helft van de huidige betaalde functies niet meer bestaat. Doordat deze door machines overgenomen zijn. “Dat betekent dat we ons moeten aanpassen op de technologische ontwikkelingen, maar wat mij betreft moeten we ook kijken naar de definitie van werk. Hoe kijken we bijvoorbeeld naar inkomen? Stel je voor dat mensen voor hun plezier iets gaan doen waar ze voor opgeleid zijn. Als je daar niet genoeg inkomen mee genereert, doe je er iets naast. Die gedachtegang vind ik om over na te denken. Wat dat betreft zouden we goed naar de ontwikkeling van zzp’ers moeten kijken. Zij hebben veel van de toekomstige arbeidsmarkt in zich. Hier zouden we een solidaire saus overheen kunnen gieten zodat we collectief een zekere levensstandaard hebben. Dat is goed voor ons allemaal.”

“Alleen ben je sneller, samen kom je verder”

‘Alleen ben je sneller, maar samen kom je verder’, is een gevleugelde uitspraak van Wim Bens. Met die gedachte is Rabobank ruim 120 jaar geleden ontstaan. “Nog steeds is samenwerken binnen onze coöperatie één van de belangrijkste kerncompetenties.”

“Dat is nog best een uitdaging in zo’n grote organisatie,” bekent Wim. “Er spelen verschillende belangen. Om goed te kunnen samenwerken moeten partijen zien dat zij van elkaar afhankelijk zijn en eigen belang hebben bij de samenwerking. Voelen dat ze samen beter presteren. Als leider wil ik graag het goede voorbeeld geven: ik nodig mensen uit, ga in gesprek en zoek samenwerkingspartners.”

Klanten zijn partners

De Rabobank heeft  zowel een opdracht naar klanten als naar de maatschappij. Hij legt uit: “Voor onze klanten zijn we veel meer dan een bancaire dienstverlener. Wij zijn een partner die op de lange termijn samenwerkt. Ook in onze maatschappelijke opdracht zoek ik nadrukkelijk partijen op.” Dit leidt regelmatig tot mooie projecten. Voor Wim was de ultieme vorm van samenwerking het project 013 Denim. Trots legt hij uit: “Dit is een draad van Indiaas biologisch katoen gecombineerd met een garen van gerecyclede spijkerbroeken uit Tilburg. Dit resulteert in een stof die werelden verbindt en verhalen vertelt.”

Gedachtegoed delen

Het idee om katoen uit India te halen, ontstond toen de Tilburgse bank de wens had een project van de Rabobank Foundation te adopteren. “We delen vanuit deze Foundation het coöperatieve gedachtegoed en zijn actief in Zuid-Amerika, Afrika en Azië. De doelstelling is om mensen te helpen zelfredzaamheid te zijn. Het Indiase katoen is afkomstig van Indiase katoenboeren die dankzij het werk van de foundation een betere prijs krijgen voor hun product. Een Tilburgs textielbedrijf recyclede ingezamelde spijkerbroeken uit de stad tot denim-garen.”

Verbinding zoeken

Wim weet dat dit de bank nooit alleen was gelukt. “Sterker nog, dan waren we niet eens op het idee gekomen.” Hij denkt terug: “De bank bracht mensen bij elkaar die iets met de stad hebben. We hielden een brainstorm met partijen die ogenschijnlijk niets met elkaar hadden en geen reden hadden om samen te werken. Ieder had een eigen belang om Textielstad Tilburg naar een hoger plan te brengen. Dit werd al snel een gezamenlijk doel.” Wim vindt het nog steeds bijzonder wat je kunt bereiken als je creatieve geesten en ondernemers bij elkaar zet. De draden van 013 Denim staan symbool voor de draden die Tilburg als stad met elkaar verbinden: het beste van het bedrijfsleven, cultuur, onderwijs en burgers is letterlijk en figuurlijk met elkaar verweven.

Dichtbij zijn

Het is Wims’ heilige overtuiging dat je samen altijd verder komt. Hij is verbinder in hart en nieren. “Daarom vind ik het heel belangrijk dat mensen niet alleen hun werk verrichten, maar ook betekenis geven aan de plek waar ze wonen en werken. Dat stimuleren en faciliteren we vanuit de directie.” Medewerkers van Rabobank Tilburg en omstreken zijn in een bepaald gebied de oren en ogen van de bank. Niet alleen commercieel, maar ook om mee te doen. Wim legt uit: “De fysieke bankgebouwen waar bewoners elkaar vroeger eens per week ontmoetten, worden minder belangrijk en de rol van mensen neemt toe. We zoeken actief contact en helpen waar we dat kunnen. We blijven hierdoor dichtbij.”

100 jaar historie in beeld

Om een goed beeld te krijgen van de afgelopen 100 jaar is een historische fotowand gemaakt. Met deze expositie krijg je inzicht in de oorsprong van het bedrijf en lees je de boeiende verhalen.

Zo startte Barend van Spaendonck in 1919, als zoon van een wollenstoffenfabrikant, boven een winkel in de Heuvelstraat 60, met ondersteuning van werkgeversverenigingen in de Brabantse regio. Daaronder zijn onder andere de voorlopers van VNO-NCW Brabant-Zeeland, de textielindustrie, de dakpanindustrie, de wolwevers, de leerlooierijen en de schoenproducenten. Van Spaendonck zette zich in toen al voor het samenbrengen van ondernemersbelangen.

Ben je geïnteresseerd, loop dan eens binnen en bekijk de expositie ‘100 jaar Van Spaendonck’ in het werkcafé van het Van Spaendonck Ondernemingshuis, Reitseplein 1 in Tilburg.

 

“Obstakels hoeven geen beperking te zijn”

Michaelrobbert

Al zijn de tegenslagen in het leven nóg zo groot, met sommige gebeurtenissen uit het verleden moet je alleen aan de slag. Maar uiteindelijk heb je anderen nodig en merk je dat je alleen sámen tot hogere hoogtes komt. Het kostte Michaelrobbert Brans enige tijd, maar uiteindelijk deinst hij voor geen enkel obstakel terug.

Michaelrobbert heeft drie keer kanker gehad en verloor daardoor zijn rechterbeen. Hij is diep gegaan, maar dankzij intensief sporten heeft hij een omslag in zijn leven weten te maken en lacht het leven hem als ondernemer weer toe.

Verhaal

Als Michaelrobbert zijn verhaal doet, vertelt hij zakelijk wat hem overkomen is. “Iedereen weet wat voor ellende kanker met zich meebrengt, dus ik ga er nooit uitgebreid op in,” geeft hij toe en vertelt: “In 1995 kreeg ik op 14-jarige leeftijd kanker in mijn bovenbeen. De tumor is weggehaald, maar mijn onderbeen was na een jaar dusdanig beschadigd dat deze afstierf. Een been-besparende operatie resulteerde na een jaar tóch in een amputatie van mijn onderbeen. In 1998 kreeg ik kanker in mijn buik wat me mijn bovenbeen kostte. In 2001 kwam de ziekte terug in mijn bekken en heupen en is daar het één en ander weggehaald. That’s it.”

Rolstoel inleveren

Michaelrobbert verhuisde naar een rolstoelvriendelijke woning, maar merkte al snel dat hij daar enorm lui van werd. “Ik heb mijn rolstoel ingeleverd bij de basketbalvereniging waar ik in het invalide jeugdteam zat en heb daarna nooit meer een rolstoel aangeraakt. Behalve mijn rolstoel-status, leverde ik ook mijn lidmaatschap bij de basketbalvereniging in, want dat was het toch niet.”
Michaelrobbert kan prima uit de voeten zonder rolstoel. Van een prothese moet hij ook niets hebben. “Met een prothese ben ik meer beperkt dan zonder. Ik kan zoveel meer dan iemand mét prothese. Inmiddels ben ik zover dat iedereen mag zien wat er aan de hand is.”

No limits

Dat heeft wel even geduurd. Eigenlijk kan hij pas een jaar of vijf genieten van het leven. Sport bracht de omslag. In 2013 zit Michaelrobbert er helemaal doorheen. Hij was 20 kilo te zwaar, had geen doel meer in zijn leven en vroeg zich af waarvoor hij het allemaal nog deed. “Toen kwam het verzoek van het Revalidatiefonds om te doneren voor Team no Limits. Onder het motto ‘Laat zien dat je handicap geen beperking is’ Recalcitrant reageerde hij: ‘Doneren? Meedoen, zul je bedoelen!’

Jankend op een muurtje

Van het een kwam het ander en samen met zeven gehandicapten maakte hij (tussen 7.000 niet gehandicapten) kennis met mudmasters, obstacle run. Bij deze intensieve hardloopwedstrijd door de modder moeten deelnemers onderweg allerlei obstakels overwinnen. “Ik ging diep,” blikt hij terug. “Ik zie me nog jankend op een drie meter hoge muur zitten terwijl mijn ouders me bij de finish op stonden te wachten.” Heftig, maar het maakte iets los. Waar hij het niet vond in basketbal, tennis, parachutespringen en waterskiën, vond hij het wél in obstacle runs. “Dít is wat ik wilde.”

Genieten van het leven

Hij pakte door en heeft inmiddels meer dan 200 obstacle runs op zijn naam staan, is officieel de snelste man ter wereld op één been op krukken en beklom de hoogste berg van Schotland. Zelfs de marathon over de Chinese muur is hem niet gek genoeg. “Sport heeft mij gered. Samen met familie en vrienden elkaar inspireren, motiveren en uitdagen. Ik heb nu een manier gevonden om te gaan met mijn situatie. Dat kostte tijd. Dat kan ook niet als je 18 jaar bent. Het is een intensief proces waar je doorheen moet.” Om anderen in een soortgelijke situatie te helpen is team No Limits waarmee hij de obstacle run ooit begon, omgesmeed tot de Stichting Dutch Adaptive. “Met 14 mensen maken we regulier sporten toegankelijk voor mensen met een beperking of chronische ziekte.” Michaelrobbert zet zich als ondernemer in om deze doelgroep te laten zien dat obstakels geen beperking hoeven te zijn.
“Ik leef al langer met één been dan met twee en heb werkelijk geen idee meer hoe het voelt om te lopen, maar toch kan ik pas sinds een jaar of 5 weer genieten van het leven. Iedereen maakt zijn eigen proces door, maar ik ben ervan overtuigd dat sport daar een positieve bijdrage aan kan leveren.”

Aan de bak

Michaelrobbert is getrouwd met Joyce en heeft een dochter van 3 jaar. Hij beseft dat hij zijn vrouw soms beperkt. “Ik heb een slechte weerstand en als ik ziek word, is het ook gelijk heel erg. Op dat soort momenten moet zij thuis aan de bak. Niet altijd accepteert ze dat direct. Het is ook vreemd dat je de ene keer helemaal los gaat tijdens een obstacle run en de maand erop opeens niet kan stofzuigen. Ik heb er soms hele slechte dagen tussen zitten en dan heb ik haar écht nodig.” Toen we in 2015 een kindje kregen, was ik doodsbang. “Hoe leg je een kind met je handen vol krukken vanuit het bedje op een commode? Ik dacht aan een quote van Richard Brenson: ‘If some one offers you an opportunity and you think you can’t do it. Say yes and learn how to do it later’.”

Samen op pad

Het viel niets tegen. “Vanaf het moment dat onze dochter geboren is, gaat het perfect. Je zou met een baby niet mogen rondspringen, maar ik kón niet anders. Je moet je voorstellen dat ik al 20 jaar met één been leef en stiller hinkel dan dat een gemiddeld mens loopt. Dus als baby ‘liep’ ik gewoon met haar rond.” Michaelrobbert schetst: “Ik huppel moeiteloos zonder voetbad twee kopjes koffie naar de tafel.” Hij heeft een unieke samenwerking met zijn dochter. “Ze weet instinctief wat er aan de hand is. Van jongs af aan blijft ze bij me in de buurt als we samen op pad zijn. Op drukke plekken weet ze dat ze het touwtje aan mijn kruk moet vasthouden. Dat doet ze ook.”

Tafeldekken

Michaelrobbert gaat er ’s nachts ook gewoon uit voor zijn dochter, doet boodschappen, dekt de tafel en tilt een wasmand naar boven. “Ik blijf natuurlijk wel een man, dus misschien dat mijn vrouw hier anders over denkt,” lacht hij. “Twee zware Albert Heijn tassen draag ik aan mijn krukken. Ik kan ook twee keer lopen, maar daar ben ik dan weer te lui voor. Een krat bier til ik met twee vingers terwijl ik vrolijk verder kruk. Het enige waarbij ik mijn vrouw echt nodig heb, is onze dochter douchen. Een natte vloer is té gevaarlijk.”

Bucketlist

Michaelrobbert is in 2018 samen met een vriend begonnen met het bedrijf Tough Ground. Hij traint mensen met en zonder beperking in Obstacle Cource Running en CrossFit. Michaelrobbert wil meer: “Mede dankzij de sportevenementen die ik meemaak, heb ik een passend verhaal te vertellen waar genoeg elementen inzitten die aansluiten bij ieders leven. In mijn TEDx talk vertel ik hierover, waarbij ik mijn handicap niet in zet, maar wel de situatie gebruik waar ik door mijn handicap in zit. Als ik als spreker en ondernemers iets kan betekenen, kan ik weer iets van mijn bucketlist afstrepen.”

“Industrie, educatie en onderzoek verbinden om samen tot innovatieve ideeën te komen”

Lobke Elbers

Lobke Elbers werkt voor Breda University of Applied Sciences, de grootste opleider in toerisme. “Waar veel mensen vaak niet bij stilstaan is dat er naast een educatie kant tevens een grote research- en projectkant bestaat,” vertelt Lobke. Dat is precies het gebied waar zij zich beweegt. “Het is mijn streven om kennis die er al is over toerisme verder te ontwikkelen en een bijdrage te leveren aan informatie die ontbreekt. Alles om een future proof reisindustrie te creëren,” vat ze haar bezigheden samen.

Verbinding industrie en educatie

Om de reisindustrie voor te bereiden op de toekomst zoekt ze verbinding tussen industrie, educatie en onderzoek. “Hoe kun je studenten en industrie verbinden om samen tot innovatieve ideeën te komen? Welke onderwerpen zijn relevant om studenten bij te betrekken?” Een mooi initiatief is volgens Lobke de Travel Challenge. Ze legt uit: “Excellente studenten tourisme management, traveltrade, E-commerce, online marketing, ICT en/of datamanagement worden een week lang gekoppeld aan organisaties in de reisindustrie. Het is de bedoeling dat ze samen tot innovatieve businessideeën komen. Een team had bijvoorbeeld een oplossing bedacht om millennials te bereiken voor reisorganisatie TUI. Dit idee is uitgemond in de Travellr app.” Door middel van ‘swipen’ kunnen gebruikers erachter komen welke bestemming het beste matcht met hun voorkeuren.

Europese samenwerking

Lobke is ook internationaal actief. Zo is ze verbonden aan een Europees project ‘Next Tourism Generation’. In dit project onderzoekt ze met 14 partners uit 8 landen welke skills nodig zijn voor toerisme-professionals in de toekomst. “Waar gaat de wereld heen en hoe kan en moet de reisbranche daarop inspelen? Waar zitten de gaten wat studenten straks in de reiswereld moeten kunnen? Door alle technologische innovaties zijn digitale skills belangrijk. Maar ook sociale skills en green skills. Accommodaties, citymarketing organisaties, reisbureaus, iedereen moet mee in deze veranderingen. We zouden een standaard moeten ontwikkelen dat heel Europa binnen onderwijs, industrie en overheid op hetzelfde level samenwerkt om de skillgaps te verkleinen en in de toekomst te voorkomen. Uiteindelijk ontstaat er een mechanisme en bereiken we een sneeuwbaleffect,” zo blikt Lobke vooruit.

Kennis delen

Al de kennis die Lobke op de verschillende plekken vergaart, doceert ze op Breda University. “In een digitaliseringstijdperk is het niet meer te doen om uit boeken te leren. Ik deel de kennis die ik op doe in de projecten waar ik bij betrokken ben.” Ze schetst: “Afstudeerscripties die ik begeleid op innovatieve onderwerpen zijn mini onderzoeken waar ik bijvoorbeeld weer over kan bloggen.” Dit soort onderwerpen geven haar weer inspiratie voor topics op congressen of platforms, waar ze actief is als adviseur. Ik doe alleen iets als het alle domeinen waarin ik werk versterkt. Pas dan kan ik komen tot een maximale kennisdeling en ontwikkeling.”

Samen creëren

Om goed met anderen te kunnen samenwerken heeft Lobke mensen nodig met een open houding. “Mensen moeten het idee hebben sámen iets te creëren, samen impact te willen maken, samen te kijken naar de toekomst. Samen bronnen openstellen binnen organisatie of onderzoek doen om in kaart te krijgen waar de verschillen in kennis liggen. Waar gaat de wereld heen en zijn we daar al mee bezig? Daar moeten organisaties een rol in willen spelen. De reisindustrie doet al mooie dingen. Denk aan expertgroepen voor artificial intelligence of blockchain waarbij we technologie, transformatie en innovatie bespreken,” vertelt Lobke.

Concurrentie

De reisindustrie is concurrentiegevoelig, maar je zoekt elkaar volgens Lobke op punten op waar je elkaar kunt versterken. “Het gaat om ontwikkelingen die de hele industrie beïnvloeden. We kijken samen naar de toekomst, want de reisindustrie moet er samen met de partners iets mee als ze in de toekomst succesvol willen zijn. Het gaat niet alleen om digitale ontwikkeling, ook sociaal, cultureel, green en sustainability doen mee. We moeten naar een gezamenlijk doel waar we naar toe willen werken. Hoe blijf je bijvoorbeeld in een hightech wereld toch persoonlijk met elkaar communiceren, en hoe prioriteer je innovaties. Dit moeten industrie, educatie en overheid samen doen, want alleen red je het simpelweg niet.”

“Het kost tijd om vertrouwen te winnen.”

Wijkagent Linda Robben

Linda Robben is wijkagent van de wijk Trouwlaan, Uitvindersbuurt en Oerle. Niet de makkelijkste wijken, maar met een sterk staaltje samenwerking weet Linda toch ver te komen in deze typisch Tilburgse buurten. 

“Regelmatig draagt een collega, een wijkbewoner of een van onze netwerkpartners een issue aan. Ik kijk wat ik kan betekenen om dit probleem te tackelen,” vat ze haar werk samen. “Als het alleen niet lukt, zoek ik de samenwerking op met bijvoorbeeld gemeente, GGZ of woningstichting. Soms lukt dat, soms ook niet.”

Leefbaar en beheersbaar

Ze schetst: “Een tijdje terug merkte ik dat er door de komst van een aantal nieuwe huurders een rustige straat in twee jaar tijd veranderd is in een probleemstraat. De sfeer sloeg totaal om doordat een aantal mensen er de dienst uitmaakte. Omwonenden die er al sinds jaar en dag wonen, durfden hun woning niet meer uit. De nieuwe bewoners gedroegen zich asociaal, zetten hun hele huisraad voor de deur, staken barbecues aan en draaiden luidruchtige muziek. Gezellig, maar dit ging ten koste van anderen.” Hoe maak je zo’n straat weer voor iedereen leefbaar en beheersbaar? Dat is het spanningsveld waarbinnen Linda dagelijks als spin in het web met veel plezier beweegt.

Afstemming en vertrouwen

Om dit probleem op te lossen, heeft Linda behalve de bewoners ook de gemeente en de woningbouwstichting erbij betrokken. “We hebben avonden georganiseerd voor bewoners om van elkaar de verschillende kanten van het verhaal te horen. Na een aantal brieven vanuit de gemeente en gesprekken tussen bewoners en de woningstichting, ga je toch handhaven. Verbaliseren is het laatste wat we willen, maar de overlast moet teruggedrongen worden.” Uiteindelijk is het probleem opgelost en is de straat voor iedereen weer gezellig. “Dat kan alleen in een samenwerking. Een samenwerking waarin alle instanties één lijn trekken. Dat vraagt om een goede afstemming en vertrouwen.”

In gesprek gaan

Aan communicatie geen gebrek in het werk van Linda. “Eens per maand zitten we in een buurtregie. Een bijeenkomst waarin ik met verschillende partners casussen bespreek en onderzoek wie en wat we nodig hebben om casussen op te lossen. Zo is een voetbalveldje met speelplek waar jongeren graag samenkomen, omringd door flatgebouwen. De jongens chillen daar na 22.00 uur met draaiende motoren. Je kunt je voorstellen dat bewoners daar niet gelukkig van worden. Zeker niet in de zomer als de ramen openstaan. We vragen dan of Jongerenwerk met de jongeren het gesprek wil aangaan om ze in te laten zien wat ze veroorzaken. De gemeente onderzoekt of ze de jongeren wel genoeg biedt en of chillplekken op de juiste plaatsen zijn gemaakt.”

Op de juiste manier aanspreken

Het beste is het natuurlijk als bewoners mensen waar ze last van hebben zelf op de juiste manier aanspreken, maar dat durven ze vaak niet. Ze nemen pas contact op met de politie als de situatie hen boven het hoofd is gegroeid. “En wij lossen zoiets niet binnen een dag op. We moeten met een dossier aan de slag, dat duurt even. De irritatie zit dan bij sommige mensen al zó hoog dat ze moeite hebben om een goed gesprek te voeren. Ik probeer ze te laten inzien dat ze eerder moeten bellen.” Linda is 24/7 agent, maar niet altijd bereikbaar natuurlijk. Behalve dat ze soms vrij is, draait ze ook regelmatig mee bij evenementen zoals kermis en voetbalwedstrijden.

Luisterend oor

Mensen zijn niet afhankelijk van de wijkagent. Als een burger de politie snel nodig heeft, belt deze 112 of 0900-8844. Moet een situatie daarna nog opgepakt worden, hoort of leest Linda dat later en komt ze al dan niet in beeld. Als er iets groots in haar wijk speelt, lichten collega’s haar 24/7 in. Zo ook toen er een poosje geleden een moord in de wijk is gepleegd. Ondanks dat Linda vrij was, ging ze direct ter plaatse. “Ik weet dan vrij snel om welk huis het gaat en wie daar woont. De collega’s stonden bij het afzetlint, maar wijkbewoners zeiden niets. Ik kreeg belangrijke informatie over het mogelijke slachtoffer, een bezoeker en geen bewoonster. Een bekende van het slachtoffer zat ergens in een kroeg. Ik heb die kroeg gebeld en verzocht of die persoon  naar de plaats delict kon komen. Hierdoor hadden we in no-time de identiteit van het slachtoffer achterhaald.”
Linda werkt met wijkbewoners samen op basis van vertrouwen. “Daar heb ik vooraf natuurlijk veel energie in gestopt. Ik ga nóg wel eens bij bewoners langs als een melding eigenlijk niet voor de politie is. Dan bied ik ze een luisterend oor. Heel belangrijk.”

Delen

Linda is wijkagent van een paar uitdagende wijken. De mensen die er wonen zijn geen politie bellers en het kost tijd om vertrouwen te winnen. “Dat is gelukt,” vindt ze. “Toen ik hier jaren geleden door een bepaalde straat reed, gunde niemand me een blik waardig. Nu weten ze me te vinden. Bellen ze me als het nodig is en kan ik bij ze op de koffie. Ik weet dat ze mij het achterste van hun tong nooit laten zien. Dat geeft niets, via via hoor ik veel.” Linda gaat open een gesprek in. Oordeelt niet. “Een zware crimineel die jaren vast heeft gezeten, is ook een mens. Ik behandel zo’n persoon zoals ik zelf behandeld wil worden. Het is niet aan mij om straffen uit te delen. Ik houd in de gaten wat er speelt, verzamel informatie en houd contact.” Soms deelt Linda eigen ervaringen, “maar ik bewaak wel goed de grens zodat ze me als agent blijven zien en niet als vriendin.”

Korte lijntjes

Voor kleinere meldingen zoals fout parkeren, afval dumpen, loslopende honden en hondenpoep heeft Linda hulp van handhavers van de gemeente die aan haar wijken gekoppeld zijn. “Als ik door de wijk fiets en ik signaleer bijvoorbeeld veel loslopende honden of verkeerd geparkeerde auto’s pak ik dat op. In de rest van de gevallen, laat ik dat tegenwoordig over aan de handhavers waar ik korte lijntjes mee heb.”

Contact zoeken

Linda maak je weinig meer wijs. Ze komt van de marine, dus nam ze 15 jaar geleden al een flinke bagage mee naar de politieorganisatie. “Je leert best wel wat als je in oorlogsgebied gewerkt heb, lange tijd van huis bent geweest, met 180 mensen aan boord zit, je tussen 24 vrouwen staande moet houden en te maken hebt met verschillende culturen,” geeft ze toe. “Ik koos op latere leeftijd heel bewust voor de politie. Ik vind contact met mensen belangrijk en leuk. Toen ik binnenkwam bij de politie heb ik noodhulp-meldingen gereden en ervaring opgedaan bij de recherche, maar al snel werd ik bevorderd tot brigadier en sinds 2011 ben ik wijkagent. Een fantastisch beroep!”