“Goede samenwerking ontstaat als je samen een hoger doel hebt”

Vrijheid en Veiligheid zijn niet vanzelfsprekend. Het is bovendien iets van en voor ons allemaal en niet de exclusieve verantwoordelijkheid voor een geoutsourcete partij die ‘het leger’ heet. Iedereen zou daaraan moeten kunnen bijdragen.

 “Niemand zit te wachten op een krijgsmacht van honderdduizenden beroepsmilitairen. Zeker niet als er geen oorlog is,” weet kolonel Ernst Lobbezoo, transitiemanager bij Bureau Reservisten en Samenleving (BRES). Dit bureau probeert de militaire wereld en de burgermaatschappij dichter bij elkaar te brengen.

Hybride wereld aan elkaar knopen

Ondanks het feit dat de veiligheidssituatie zeer snel kan omslaan, is het niet nodig om 24 uur per dag 7 dagen per week over ál onze militairen te beschikken. “We willen wél op ze kunnen rekenen en ze in kunnen zetten als dat nodig is, vertelt Ernst. “Reservisten vormen met de beroepsmilitairen de flexibele operationele capaciteit van Defensie. Zij zijn allemaal goed opgeleid en kunnen zich handhaven op het gevechtsveld. Reservisten werken (anders dan de beroeps) met een militaire status zowel in de militaire wereld als in de burgermaatschappij. Zij zetten in het leger hun civiele expertise in en andersom betrekt het leger hierdoor de samenleving actiever bij de krijgsmacht.” Zowel beroepsmilitairen als reservisten kunnen met hun competenties prima bijdragen aan andere organisaties als de veiligheidssituatie dat toelaat. Samenwerken biedt zowel de medewerkers als organisaties meer dan de som der delen. Een hybride wereld die Ernst aan elkaar knoopt.

Gezamenlijk verantwoordelijkheid

Voor veel mensen is de stap naar beroepsmilitair ‘voor het leven’ te groot. Als reservist kun je bijdragen door vooral op spannende momenten van de partij te zijn. Aan de andere kant leggen beroeps op een bepaalde leeftijd de rugzak (deels of helemaal) in de hoek. “Al werk je in de burgermaatschappij, dan nog kun je parttime of op afroep militair zijn. De krijgsmacht heeft uitdagingen genoeg, ook met werk waarbij niet iedereen continu uitgezonden hoeft te worden,” weet Ernst. “Ook in Nederland dragen reservisten en civiele partners volop bij aan de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Samen ontmantelen we bedreigende cyber-organisaties en helpen we met crisishulp in Nederland of in het buitenland.” Het zijn niet alleen ouderen die daarvoor kiezen. Veel jongeren vinden via de krijgsmacht (soms aanvullend) perspectief. “We nemen iedereen die inzetbaar is graag onder de arm en hopen dat civiele werkgevers hetzelfde doen voor de militair die -deels- bij hen gaat werken. Het is namelijk verhelderend, leerzaam en leuk om delen van je carrière of werktijd bij andere werkgevers in een andere discipline te werken. Op deze manier nemen we samen de verantwoordelijkheid om klaar te staan als we bedreigd worden.”

Verbinding en betrokkenheid

“Goede samenwerking ontstaat als je samen een hoger doel hebt.” Dat heeft Ernst vaker aan den lijve ondervonden. Voor de mensen in het veld is dat helder. “Collegae waar ik bijvoorbeeld eind negentiger jaren mee in Bosnië diende of die met me hebben gediend in Afghanistan kunnen me dag en nacht bellen. En ik hen. Ook al is een groot deel al uit dienst, je hebt samen gediend onder moeilijke omstandigheden. Die blijvende waardering voor elkaar vormt een organisatiecultuur die goud waard is en borgt verbinding en betrokkenheid met de krijgsmacht. Samenwerken aan hetzelfde doel: bijdragen aan de veiligheid van Nederland en aan die van de ander. Wat is er belangrijker dan dat? Die kameraadschap creëert een onlosmakelijke band voor het leven.” In Nederland lijkt de oorlog nu gelukkig ver weg, maar dat is geen vanzelfsprekendheid. Om onze vrijheid te beschermen en de krijgsmacht gereed te houden voor het onvoorspelbare is samenwerken meer dan ooit noodzakelijk.

Goed werkgeverschap

Ernst praat daarom in Den Haag vaak over ‘gedeeld werkgeverschap’. Personeel kan daarbij duurzaam verbonden worden aan meerdere werkgevers, waaronder Defensie. De steeds verdergaande flexibilisering vraagt om nieuwe vormen van werkgeverschap, in het belang van de werkgever en de werknemer. Werknemers die civiel en bij de krijgsmacht werkzaam zijn, moeten in staat worden gesteld dat beter te combineren. “Als werkgevers kunnen we vergaand samenwerken om de verschillende belangen op te pakken,” weet Ernst. “Maar dat vraagt om een wezenlijke verandering. Zo’n gezamenlijke aanpak is anders dan het vooropstellen van het eigenbelang. Wij gaan graag die gesprekken aan zodat er draagvlak blijft, alles goed geregeld is en bijvoorbeeld niemand onverzekerd rondloopt.” Goede werkgevers dragen graag bij aan een hoger doel en zien werknemers die reservist zijn inmiddels als verrijking. Hoe je een en ander op elkaar afstemt, moet je dan met elkaar bespreken. Daar kom je als volwassen partijen altijd uit.”

Concurreren of samenwerken

Ernst startte in 2013 met BRES. “De gesloten organisatie was ontoereikend in staat om de vele nieuwe uitdagingen het hoofd te bieden. Het bestaande organisatieconcept zou snel verouderen en er zou behoefte ontstaan aan een meer genetwerkte aanpak met een veel sterkere maatschappelijk integratie.” Ernst denkt terug: “We zijn gestart met een groep die snel uitgroeide tot zo’n 150 man. Deze mensen, zowel uit de eigen organisatie als uit alle hoeken van het land, vonden deze ontwikkeling belangrijk genoeg om er energie in te steken. Door hen mee te laten werken en dromen over nieuw perspectief kreeg de verandering momentum.” De afgelopen jaren zijn relatief snel belangrijke stappen gezet en inmiddels staan veel van de noodzakelijke maatregelen verankerd in het regeerakkoord en de beleidsnota over de nabije toekomst van Defensie. Het ministerie moet een beroep kunnen doen op militairen die deels in de burgermaatschappij werken. Partnerschappen met andere private en publieke werkgevers in de burgermaatschappij moeten normaal en duurzaam worden: samen werven, ontwikkelen en zorgen voor al dat personeel dat -ook- bereid is onze veiligheid te dienen, en die standhouden in periodes van economische voor- en tegenspoed. “Dat vraagt om een strategische keuze voor samenwerken in plaats van concurreren.”

Alliantie-overeenkomsten

Net als in andere sectoren waren de bezuinigen op defensie de afgelopen jaren niet van de lucht. Ernst licht toe: “Ondanks alle creativiteit en de ‘can do’-mentaliteit’ konden we met steeds minder geld steeds minder doen terwijl de veiligheidssituatie verder verslechterde. Dat moet in het belang van de zowel onze samenleving als de eigen medewerkers veranderen. Er zijn nieuwe oplossingen nodig die passen bij deze tijd en die vind je samen makkelijker dan alleen. Dát is precies de reden dat ik -na bijna 30 jaar dienst- nog steeds iedere ochtend enthousiast mijn bed uitstap,” vertelt Ernst. “Het moet continu flexibeler, slimmer, beter en met meer maatschappelijke inbedding. Als transitiemanager maak ik me vanuit het Ministerie van Defensie daarom hard voor allerlei allianties tussen de militaire en burgermaatschappij. Verbinding zoeken door mét elkaar te werken, niet naast elkaar. Alleen als je mensen met elkaar in contact brengt en de ruimte geeft om samen te ontwikkelen en te werken, ontstaan de mooiste dingen. Zo ervaren jong en oud dat we sneller kunnen innoveren en sterker kunnen zijn dan degene die ons uitdaagt. Zowel onze medewerkers, de betrokken organisaties als Nederland wordt hierdoor sterker en beter.”

Van Spaendonck: korte film

In deze korte film een terugblik van 1919 tot het bedrijf Van Spaendonck in 2019.

Van één alleswetende secretaris tot een modern bedrijf met professionals.

Al 100 jaar voor en door ondernemers.

100 jaar voor en door ondernemers

100 jaar bestaan is terugkijken, vooruitkijken en het betekent ook feest vieren. Op het LED scherm op het dak van het Van Spaendonck Ondernemingshuis zie je tussen alle berichten door ook regelmatig de confetti van het dak af spatten. Trots!

“Mensen moeten met plezier kunnen werken”

Succes begint met een ambitie. John van Hoof, voorzitter Raad van Bestuur van schoonmaakbedrijf CSU vertelt: “CSU begon 50 jaar geleden met een man die als zelfstandig ondernemer bij mensen thuis ramen lapte. Het leek hem geweldig om uit te groeien naar 100 medewerkers.”

John gaat verder: “Zijn vrouw was HR-manager en onderhield de contacten met medewerkers. Stond altijd klaar bij een geboorte, ziekte of verjaardag. Regelmatig was er een feestje of borrel. Ook al heeft CSU inmiddels ruim 16.000 medewerkers, dat DNA zit nu nóg in het bedrijf. We hebben heel betrokken en gedreven medewerkers met een no-nonsense mentaliteit.” John vertelt: “De schaal waarop we werken, maakt grote investeringen in de medewerkers mogelijk. Hierdoor kán -als je niet oplet- afstand met de werkvloer ontstaan. Dat is een spanningsveld dat we op kleine schaal oppakken met een goede span of control. Op die manier lukt het ons heel goed de menselijke maat te behouden in het bedrijf. Daar zijn we als gecertificeerd Top Employer Nederland scherp op.”

Voeling houden met de werkvloer
Om kantoormensen voeling te laten houden met de werkvloer, is er ieder jaar een ‘Meewerkweek’ binnen CSU. Een initiatief dat CSU zelfs breder trok voor andere bedrijven via de Nationale Meewerkweek. Bij CSU worden alle kantoormedewerkers een dagdeel ingeroosterd om mee schoon te maken en verbinding te maken met de klant en de medewerkers. John licht toe: “Iedereen moet weten wat schoonmaken feitelijk inhoudt en waar schoonmakers tegenaanlopen, zodat je de juiste aansturing kunt geven.” John mocht zelf laatst een paar uur meewerken in het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie. “Ik poets dan net zo hard mee hoor. Het is een dag waar ik altijd erg naar uit kijk. Schoonmakers die met mij werken, hebben in het begin vaak koudwatervrees, maar na een kwartier vertellen ze meestal precies wat ze ervan vinden. En daar doen we het voor, want het kan altijd beter. Daar komt een schat aan waardevolle aanbevelingen uit voort.” John lacht: “Andersom laten we de schoonmakers niet op kantoor werken. Maar recent had ik zelf wel een plaatsvervanger. Via JINC, Baas van Morgen zat vmbo’er Bart een dag op mijn stoel. Ik heb waardevolle tips en aanbevelingen van hem gekregen over onder meer het gebruik van hologrammen en kleurstellingen voor onze beursstand.”

Goed werkgeverschap
John vindt het belangrijk de medewerkers een stem en een goede werkplek te bieden. Onder goed werkgeverschap verstaat John medewerkers die goedbetaald worden, kansen krijgen tot opleidingen en cursussen. Mensen die regelmatig leuke bijeenkomsten en borrels krijgen aangeboden zodat ze voelen dat ze centraal staan. “Wij betalen 130 procent van het minimumloon in schoonmaakland en leiden op tot officieel schoonmaker. CSU is al vijf jaar achter elkaar de grootste opleider in schoonmaak. We maken steeds meer overdag schoon zodat onze schoonmakers vaker in contact komen met anderen. Dus helpen we ze met vakopleidingen, hospitality trainingen en waar nodig met de Nederlandse taal. Prettig tijdens het werk maar ook van belang om te integreren en te participeren in de Nederlandse maatschappij.”

Fris in je werk
Om mensen gedreven en met plezier te kunnen laten werken, moeten ze zich goed voelen. “We voeren het programma ‘Fris in je werk’. Het gaat hier over gezondheid met voeding en sporten, maar geven mensen ook budget coaching om ze uit de schuldhulpverlening te krijgen. CSU zet daarnaast stevig in op Social Return On Investment en is landelijk PSO trede 3 gecertificeerd. We hebben een SROI instroom van meer dan 10%,” zegt hij trots. “Naast de goede contacten met UWV´s en gemeenten zijn we nu ook bezig om statushouders het vak te leren en een kans op de arbeidsmarkt te bieden. Van academisch geschoolde mensen tot de huisvrouw helpen we ze inburgeren en op verschillende niveaus gaan ze aan de slag.”

Verbeterstappen zetten
In het verleden was de relatie tussen de schoonmaakbranche en de vakbonden niet zo goed. Daardoor zijn er in 2010, 2012 en 2014 regelmatig stakingen geweest in de schoonmaakbranche. Dat ligt nu achter de branche. Inmiddels is er een prachtige nieuwe CAO en zijn er keurmerken van branche-organisatie OSB waardoor het kaf van het koren gescheiden wordt. “Van de 11.000 schoonmaakbedrijven zijn er zo’n 300 bij aangesloten,” weet John. “Helaas zijn er nog steeds beunhazen die de regels niet zo nauw nemen. Die bedoezelen de naam van de branche. Daarom zijn er veel controles en invallen. Om illegalen op te sporen en te checken of er niet onder de CAO gewerkt wordt.”
De relatie met de vakbonden is goed hersteld. “We hebben mooie kwalitatieve verbeterstappen gezet. Nu nog hopen dat de overheid in gaat zien dat schoonmaken geen overheidstaak is.” Na de stakingen heeft de overheid namelijk zelf schoonmakers op de loonlijst gezet om te laten zien wat goed werkgeverschap is. Maar schoonmaken is geen overheidstaak,” vindt John. “Zij moet eisen stellen aan de markt, maar niet het werk waar de markt ruimschoots in voorziet naar zich toetrekken. Daar hebben we als schoonmaakbranche dan ook fel tegen geageerd.”

Technologische ontwikkelingen
“Het gaat goed met CSU. Maar…,” tipt John. “Als ondernemer is het van belang relevant te zijn en te blijven. Vandaag kun je een buitengewoon interessante dienst verlenen, maar hoe is dat over vijf jaar? Dat betekent marktontwikkelingen en de snel veranderende klantvraag bijhouden. Ik merk dat de samenwerking met andere leveranciers toeneemt. Vroeger leverde iedereen een deel en legde de klant de puzzelstukjes bij elkaar. Nu gaan we meer naar één geheel. We kijken in het schoonmaakproces niet alleen continu waar het beter kan, maar vooral ook waar het groener kan. Qua materialen en middelen zijn we daar al langer mee bezig. We zijn ook actief met circulariteit. De bedrijfskleding van onze schoonmakers is 100% gemaakt van gerecyclede stoffen, visnetten en petflessen. We zijn trots op de Corporate Fashion Award die we daarmee recent wonnen. Met leveranciers gaan we meer de verbinding aan, kijken naar energiezuinige panden en gaan voor onze 800 bedrijfsauto’s fors inzetten op hybride en elektrisch rijden. Er is nog zoveel te doen.”

Robotisering
John denkt binnen CSU ook na over innovaties zoals betere ketensamenwerking met de FM Coalitie of robotisering. “Met BeSense hebben we bovendien een awardwinnende slimme oplossing in huis die via sensoren in een kantoorpand uitleest welke activiteiten er plaatsvinden. Daarmee helpen we klanten met huisvestingsvraagstukken en wij stemmen ons schoonmaakprogramma erop af. Op basis van reële data maken we schoon, zodat we daar waar het nodig is waarde toevoegen. Wat ik ook interessant vind, is de toepassingen van nanotechnologie. Als we iets met dit goedje inspuiten, kleeft daar het vuil minder aan. Minder vervuiling betekent minder schoonmaken. Ook werken we met e-learnings en virtual reality inwerk- en trainingsprogramma’s. Mensen kunnen bijvoorbeeld met een VR-bril exact zien hoe het gebouw eruit ziet, waar benodigde materialen liggen en wat er van ze verwacht. Beelden zeggen per slot van rekening meer dan een uitgetikte notitie.”

“Het vraagt om diplomatie om te krijgen wat ík wil”

Sander Paulus, verslaggever RTL-nieuws met aandachtsgebied het Koninklijk Huis

Al ben ík te zien op tv of staat míjn naam onder een item, tv maak je nooit alleen. Samen met de redactie zet ik een verhaal op en de cameraman brengt het vervolgens in overleg met mij in beeld. Dan ben ik natuurlijk ook nog afhankelijk van een interviewkandidaat die iets interessants zegt.
Royaltyverslaggeving is nog iets lastiger. Ik spreek zelden rechtstreeks met de leden van het Koninklijk Huis. Heb vooral contact met de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD). Ieder heeft zijn eigen belang. Het vraagt om diplomatie om te krijgen wat ík wil, op een manier die de RVD het gevoel geeft dat zij het werk goed gedaan heeft. Goed luisteren is van belang. Ook de RVD medewerkers zeggen weleens iets zonder het letterlijk te zeggen.

De eerste pakt de volle wind, de rest profiteert van de slipstream

Wielrennen weerspiegelt het leven: soms heb je de wind mee en soms tegen. Dit doet vermoeden dat het een individuele sport is, maar amateur wielrenster en blogger Janneke Scheepers legt uit: “Het is juist een enorm sociale sport. Je houdt elkaar uit de wind, trekt elkaar er doorheen en komt samen altijd verder dan alleen.”

Zoals zo vaak als mensen ergens goed in zijn, bevindt de oorsprong zich in de vroege jeugd. Janneke had er als kind al aardig de sokken in op haar stadsfiets. Ondanks dat haar vader regelmatig op de racefiets zat, had zij alleen maar oog voor paardrijden. De interesse in fietsen kwam pas rond haar 26ste toen ze verliefd werd op een sportfiets. Al snel maakte het sportstuur plaats voor een racestuur en scheurde ze rondjes door de buurt. Via internet probeerde ze informatie over wielrennen in te winnen, maar ze vond niet wat ze zocht. Omdat ze zelf graag schrijft, start ze een blog. Inmiddels is ze met haar ‘ZijWielrent-blog’ een inspirator voor zowel mannelijke als vrouwelijke wielrensters.

Blind vertrouwen

Wielrennen is een passie geworden. “Het is geweldig om met andere fietsers op pad te gaan. Of het nu een social ride is met koffie en gebak onderweg of een zware beklimmingen in het buitenland. Als ze maar fietst. Vooral de ploegentijdrit spreekt haar aan. “We rijden dan met z’n vieren achter elkaar. De eerste pakt de volle wind, de rest profiteert van de slipstream. Om de beurt nemen we de koppositie over, zodat we het tempo continu hoog kunnen houden. Met een korte ellenboogbeweging laat de eerste rijder weten dat hij ‘afzakt’. Deze herstelt en laadt zich weer op voor het moment dat de koppositie weer vrijkomt. Een goede afstemming resulteert in een geoliede machine waarmee je snelheden met elkaar behaalt die je alleen nooit kunt bereiken,” weet Janneke. Deze manier van samenwerken vraagt om een blind vertrouwen. “Je zit zeer kort op het achterwiel van de voorganger, dus je moet ervan op aan kunnen dat deze niet door een kuil rijdt, opeens remt of op de pedalen gaat staan. Ook moet je erop kunnen vertrouwen dat de voorste rijder gelijkmatig door de bocht trekt, anders heeft de laatste in de rij last van een harmonica-effect en gaat er onnodige energie verloren waar de hele groep last van heeft. Tijdens een ploegentijdrit profiteer je van elkaars kracht en kun je zelfs onderlinge niveauverschillen opvangen.”

Samen bouwen

Het is volgens Janneke soms goed om in een team de koppositie bewust over te geven aan iemand die dat niet durft of niet denkt te kunnen. “Té veel schuilen is zonde, daar kom je niet verder mee.” Dat heeft Janneke zelf ook moeten leren. Ze staat niet graag in de picture en het is wat haar betreft vaak goed zoals het is. Het is haar man Bart die wielerkleding voor haar blog liet maken en de auto in diezelfde lijn bestickerde. Ook zette hij haar ertoe aan om op fietsgebied de grenzen te verleggen. “Als Bart me niet gemotiveerd had, zou ik nog steeds hetzelfde rondje om de kerk fietsen.” Inmiddels is ‘ZijWielrent’ een heus fietsnetwerk met leuke toertochten en fietsen er zeker 80 mensen in ‘hun’ tenue. “De passie delen is bijna net zo leuk als het fietsen zelf,” lacht Janneke

“Het grensvlak van verwondering en verbazing ligt dicht bij irritatie en boosheid”

Martijn Arets onderzoekt de invloed van platforms op de samenleving. Er verandert nogal wat als vraag en aanbod elkaar online snel vindt in plaats van via inefficiënte intermediairs. Handig om binnen een paar muisklikken muziek te lenen (Spotify), films te kijken (Netflix), huishoudelijke hulp te organiseren (Helpling) of een betrouwbare aannemer te vinden (Werkspot), maar er zijn ook kanttekeningen. Martijn onderzoekt de kansen en bedreigingen van deze platformeconomie.

Met een camper de wereld rond
Martijn is van huis uit marketeer. Uit nieuwsgierigheid en overtuiging heeft hij zich ondergedompeld in de platformeconomie. Hij vertelt: “Als eerste ter wereld heb ik in 2011 op basis van aandelen een crowdfunding campagne voltooid om mijn boek ‘Brand Expedition’ te vertalen naar het Engels.” Dit boek schreef hij naar aanleiding van zijn ervaringen die hij opdeed tijdens zijn expeditie over branding. In een oude Volkswagen camper reisde hij door Europa om met de leiders van de 20 grote Europese merken te spreken. “Met de crowdfunding campagne verloor ik uiteindelijk ruim een ton. Ik ontdekte dat crowdfunding veel potentie had, maar dat er nog veel moest gebeuren. Achter de schermen klopte er niets van. Het model moest zo gemaakt worden dat alle stakeholders er de juiste waarde uit kunnen halen.” Dit fenomeen trok z’n aandacht.

Op expeditie
Crowdfunding is een platform, een website. Het verlaagt drempels van vraag en aanbod van geld. Mensen vinden en vertrouwen elkaar. Het platform faciliteert in transactie. Deze manier van economie bedrijven kan behalve met geld (Kickstarter) ook met spullen (SnappCar), kennis (Wikipedia) en arbeid (Uber en Temper). Martijn legt uit: “Platformen verlagen transactiekosten. Zij bieden transparantie in ondoorzichtige markten, ontsluiten ongebruikte capaciteit tegen vaak lagere prijzen en de kwaliteit wordt gestuurd met beoordelingssystemen. Verder bieden ze mensen de gelegenheid op een eenvoudige manier iets bij te verdienen.”

Elementen verbinden
“Ik wist dat deze platformrevolutie impact zou gaan hebben, dat de wereld erdoor zou veranderen. Maar hoe wist en weet ik niet.” Deze ontwikkeling raakte hem en hij wilde hier (nu zonder busje) onderzoek naar doen. “Als ik met een vraagstuk zit, gebruik ik interviews als excuus om met mensen in gesprek te gaan zodat ze een puzzelstukje van dat vraagstuk kunnen oplossen. Veel ontwikkelingen die ik verken, gaan op zichzelf niet het verschil maken, maar er zitten elementen in die ik interessant vind. Ik verbind die elementen.” Zo zet Martijn mensen tijdens expedities (zoals hij zijn onderzoeken noemt) bij elkaar om samen zaken te ontdekken. “Ik ga met mensen in gesprek om de platformeconomie te verkennen. Waarom doen mensen dit? Wat zijn de dilemma’s? Hoe maak je er een duurzaam model van?” In zeven jaar tijd hield hij hiervoor meer dan 500 interviews in 16 landen.

Ideale wereld versus platformeconomie
Platformen zijn steeds vaker onderwerp van debat. Is de platformwerker als de Deliveroo koerier wel verzekerd? Moet het platform voor particuliere schoonmaak ‘Helpling’ de schoonmaker niet gewoon in dienst nemen? “Platformen positioneren zichzelf als prikbord en verleggen sommige verantwoordelijkheden naar de gebruikers. Het is in veel gevallen de vraag of dit wenselijk is.“ Toch mist Martijn in veel discussies de broodnodige context: “Het lijkt op de eerlijke en ideale wereld tegen de platformwereld. Maar de echte wereld is natuurlijk ook niet eerlijk en ideaal. Platformen centraliseren gefragmenteerde en vaak onzichtbare markten zoals die van maaltijdbezorgers en thuis-schoonmakers. Markten waar de arbeidsomstandigheden niet op een maatschappelijk gewenst niveau zijn, Het centrale karakter van een platform geeft juist de kans om iets collectiefs te regelen voor een groep die voorheen onzichtbaar was. Ook kun je bijvoorbeeld collectieve afspraken over werktijden en tarieven in het algoritme van een platform programmeren. Hoewel we niet blind moeten zijn voor de uitdagingen, is het ook tijd om naar de kansen te kijken.”

Politiek uitdagen en duiding geven
“Ik onderzoek hoe we het beste uit de platformen naar boven kunnen halen voor de gebruikers en maak de negatieve zaken inzichtelijk zodat mensen daar een keuze in hebben. Met mijn kennis die ik tijdens mijn expedities opdeed, geef ik richting aan ontwikkelingen en het debat rondom platforms. In een discussie. In het samenbrengen van partijen.” Martijn deelt zijn kennis ook met de politiek en gaat in gesprek. “Met respect voor elkaars mening. Dat doe ik zonder clichébeelden. Niet naar de politiek toe, maar ook niet naar de platformen. De platformen hebben nog wel eens de naam dat ze snel veel geld willen verdienen, maar Uber maakt al jaren verlies. Ze gaan door omdat ze potentie zien in de markt,” weet Martijn.

Verwondering en verbazing
“Het is mooi om elkaar in een samenwerking te versterken op de unieke waarden die een individu toevoegt. Dat is vooral interessant als het mensen met verschillende achtergronden betreft. Het is niet de bedoeling dat je met z’n allen ja-knikt, want dan blijf je in een bubbel hangen. Je kunt het met elkaar oneens zijn en een stevige mening hebben, maar ik zou nooit schofferen. Het is bij een goede samenwerking van belang dat je dezelfde houding hebt in een gesprek. Het grensvlak van verwondering en verbazing ligt dicht bij irritatie en boosheid. Dat laatste moet je zien te voorkomen. Met boos worden, kom je nooit verder.”

Duiding geven
Martijn is van mening dat de politiek en belangenorganisaties vaak een korte termijn agenda hebben. “Ik daag ze uit verder te kijken en uit hun schulp te komen. Ik probeer het goede gesprek te voeren. Bewustwording te creëren en duiding te geven aan de stakeholders. Daar haal ik energie uit. Het is lastig om te controleren hoeveel uur een schoonmaker bijvoorbeeld werkt. Maar als we een algoritme bedenken, kan iemand na 8 uur werken pas weer na 6 uur rust weer inloggen,” geeft Martijn als voorbeeld.

Verbinden en aanjagen
“Alle informatie die ik vanuit alle interviews tijdens mijn expeditie inwon, haak ik aan zaken die ik hoor ik gesprekken. Ik zoek dus eigenlijk steeds in de platformwereld haakjes waaraan ik iets kan ophangen en knoop zaken aan elkaar. Die kennis deel ik in mijn wekelijkse nieuwsbrief, blogs en als expert in de media.” De platformeconomie kun je op tal van domeinen toepassen: op makelaars, uitzendbureaus, zorg of binnenvaartschepen. “Daar houd ik dan ook regelmatig presentaties over. Ik richt me vooral op onderwerpen die maatschappelijke impact hebben en die discussie oproepen.” Op dit moment houdt Martijn zich vooral bezig met platformen over ‘arbeid’. “Daar liggen momenteel de grootste vraagstukken. Zo voorspelde ING afgelopen voorjaar dat binnen 10 jaar de uitzendmarkt voor 20% tot 70% via platforms verloopt,” weet Martijn. “Zo is er ook een discussie of een platformwerker een freelancer is of een werknemer in loondienst. Als we op de wet moeten wachten, duurt dat nog een jaar of tien. We moeten nú ook al iets. Omdat de platforms niet met elkaar praten, zet ik ze bij elkaar. Ik nodig sprekers en workshopleiders uit en we gaan denken in oplossingen. Ik verbind en jaag aan.”

“Neem jezelf vooral niet te serieus”

Annemarie Jorritsma is formeel met pensioen. Omdat ze niet het type mens is om stil te zitten, is ze één dag in de week in de Eerste Kamer te vinden als VVD fractielid. Daarnaast doet ze een aantal commissariaten en een voorzitterschap. Door de week is ze druk, de weekenden zijn meestal vrij.

Volgens politicus Annemarie Jorritsma gaat het goed met Nederland. “We zijn alleen zeurpieten geworden.” Dit komt volgens haar onder meer door de wereldsituatie en de digitalisering. “Denk aan de witte testosteronmannen als Trump, Erdogan en Poetin. Deze heren veroorzaken veel onrust in de wereld,” vindt ze en gaat verder: “Mensen worden ook onrustig door social media. Allerlei nieuws en fake nieuws gaat snel het land door en richt al schade aan voordat het echte verhaal een kans krijgt. Sterker nog: veel mensen zien het echte verhaal niet meer omdat ze de krant minder lezen en het nieuws op tv amper meer kijken. Daardoor krijgen ze geen achtergrondverhalen mee. Onzin stijgt hierdoor tot grote hoogte. Doordat de pers en de politiek hier nog geen antwoord op hebben, zie je krachten ontstaan waarbij de flanken populairder worden en de partijen die het waar moeten maken minder populair. Dit leidt tot ingewikkelde constructen om nog een beetje te kunnen regeren.”

Goed voorbereid
Door de internationale ontwikkelingen en de digitalisering vindt Annemarie het een ingewikkelde tijd. “We zitten politiek in een transitietijd, maar economisch gaat het fantastisch. Zeker in vergelijking met andere landen doen we het enorm goed. Zo is de werkgelegenheid fors gestegen en hebben we zelfs weer kraptes op de arbeidsmarkt. Daar word ik vrolijk van. We moeten nadenken hoe we alle vacatures ingevuld krijgen. Hoe kunnen we meisjes en vrouwen de kant van de techniek en de zorg op laten gaan in plaats van naar kantoorbanen die er minder komen? We moeten erover nadenken hoe we dit structureel goed kunnen aanpakken.” Er zullen ongetwijfeld momenten komen dat het economisch minder gaat, maar Annemarie denkt dat het niet zo erg meer wordt als aan het begin van de vorige crisis. “We hebben veel hervormd en zijn nu veel beter voorbereid.”

Voedingsbodem voor innovatie
Op de vraag hoe we in haar ogen Nederland nóg verder zouden kunnen brengen, zegt ze resoluut: “Minder mensen in deeltijd. Naast vijf dagen, is wat mij betreft vier dagen ook voltijd. Daarmee kunnen de meeste mensen over het algemeen een inkomen verwerven waarmee ze economisch zelfstandig kunnen zijn. Hierdoor hebben meer mensen een baan, hebben we minder tekorten in de zorg en het onderwijs en het zorgt bovendien voor meer vrijheid en gelijkwaardigheid. Waardoor meer vrouwen aan het werk komen en daarmee meer kansen hebben om richting de top door te stromen. Kortom: Een vierdaagse werkweek is overal goed voor. We moeten ophouden om trots te zijn op ‘Nederland parttime land’.”

Verder moeten we volgens haar zorgen voor innovaties om lastige problemen rondom klimaat en digitalisering op te lossen. Nederland moet een goede voedingsbodem blijven voor innovatie. “We hebben een tamelijk intensieve samenwerking tussen universiteiten, overheden en bedrijven, maar dat kan altijd beter.”

Keuzevrijheid
De publiek-private samenwerking kan volgens de oud-minister Van Verkeer en Waterstaat (Kabinet Kok I) en minister van Economische Zaken/vicepremier (Kabinet Kok II) veel beter. Marktwerking heeft helaas een beetje een vieze smaak gekregen. Ik noem het liever keuzevrijheid. Je moet altijd goed nadenken voordat je mensen afhankelijk maakt van een monopolist, ofwel de overheid. Als je toch enigszins kunt kiezen tussen verschillende aanbieders, dan moet dát wat mij betreft de voorkeur hebben. Deze vrijheid van keuze levert betere garanties op voor kwaliteit. Als je namelijk niet zeker bent van je klandizie doe je beter je best dan als ze toch wel komen. Simpel zat.”

Dat vraagt om samenwerking en dat is wat haar betreft lang niet zo moeilijk als het soms lijkt. “Als je maar niet altijd je eigen mening voorop stelt en bereid bent compromissen te sluiten. Ik weet dat sommige mensen bezwaar hebben tegen compromissen. Maar zonder, kom je er niet. Op je werk kun je niet eigenwijs zijn en alleen dingen doen die jij belangrijk vindt. Dat hou je nooit lang vol. Ik vraag mensen ook weleens of een langdurige relatie er nog zou zijn zonder compromissen. In de hele maatschappij gaat het erom: hoe goed kun je samenwerken?” Annemarie weet als geen ander hoe dat moet. In haar functies als minister, als burgemeester van Almere en nu ook als Eerste Kamerlid is het altijd ‘rekening houden met’. Als Annemarie thuis is, gaat dat verder. Ze woont namelijk samen met haar man en nog twee gezinnen in één huis.

Geven en nemen
Annemarie vertelt: “Mijn man en ik wonen samen met onze twee dochters, hun mannen en totaal vier kinderen in één groot huis met drie woningen. Het is een kwestie van geven en nemen. Dat betekent onder meer dat je niet voortdurend je eigen mening vooropstelt. Ook hier moet je bereid zijn compromissen te sluiten. Het is fijn om met elkaar te wonen en dat werkt voor ons uitstekend. Het verloopt eigenlijk automatisch. Heeft de een het druk, dan helpt de ander. Dat is wederkerig. Soms worden we ingezet als oppas voor de kleinkinderen of help ik achter de bar bij de skischool van mijn dochter. Als je onder één dak woont, help je elkaar. Als iedereen z’n best doet het een beetje leuk te houden voor een ander dan kom je heel ver.”

Annemarie verduidelijkt: “Je hoeft het niet altijd met elkaar eens te zijn. Zeker niet over dingen waar je gezamenlijk niets mee hoeft.” Haar vader was molenaar en zei altijd: Laat wieken draaien en de molens loeien, laat ieder zich met zichzelf bemoeien. “Toen wij met drie gezinnen gingen bouwen, dachten we dat we veel met elkaar zouden moeten praten, maar dat valt reuze mee. Er zijn een paar basisafspraken die je met elkaar maakt. Dat is belangrijk in alles wat ik doe. In de basis moet het goed zitten en moet je elkaar kunnen vertrouwen. Als dát goed zit, kun je zonder te veel gepraat veel met elkaar regelen.”

Zelfrelativering en zelfspot
Belangrijkste in een samenwerking is dat je je ego niet voortdurend de baas laat zijn. Het is een kwestie van luisteren wat een ander wil en dan pas te kijken hoe je wat jíj wil erbij kan voegen. Dus niet alleen maar praten en zenden en zeggen wat jíj wil. Wat ik ook belangrijk vind, is dat we onszelf niet te serieus nemen. Ik houd van zelfrelativering en zelfspot. Zowel in het werk als privé is het van belang niet alles even zwaar op te pakken. Durf je zelf af en toe ter discussie te stellen, dat is heel gezond voor de mens!”

“Als we allemaal hetzelfde doen, komen we geen stap verder”

cepezed is een architectenbureau dat op een eigentijdse manier naar bouwen kijkt. Uitgangspunten zijn bouwen met een minimum aan materialen en een maximale aanpasbaarheid voor flexibel gebruik in de toekomst. Het bureau past daarvoor innovatieve technieken toe en assembleert gebouwen met geprefabriceerde bouwcomponenten.

De drang naar efficiënt en duurzaam bouwen is bij cepezed diep verankerd en heeft er mede toe geleid dat het architectenbureau ook zusterbedrijven heeft opgericht voor projectontwikkeling (cepezedprojects), interieurontwerp (cepezedinterieur) en uitvoeringscoördinatie (cepezedbouwteam).

Kennisontwikkeling en innovatie
Architect en partner Ronald Schleurholts kijkt terug. “Vanuit de ambitie slimmer en hoogwaardiger te bouwen, richten we ons op vergaande prefabricage. Daarvoor werken we nauw samen met producenten en leveranciers. Zij weten immers goed wat ze kunnen maken. Bovendien willen zij zich onderscheiden van hun concurrenten. Het is dus een manier van werken die ook kennisontwikkeling en innovatie aanjaagt.” ‘Hoofdaannemers’ blijken echter vaak bepaalde producten niet tegen reële prijzen aan te bieden. Deels door onbekendheid met het materiaal, deels door andere belangen bij inkooptrajecten. “Bij verschillende projecten hebben we daarom besloten de hoofdaannemer dan maar over te slaan. We coördineren dan zelf direct de inkoop en de uitvoering. Met deze werkwijze kunnen we voor hetzelfde geld betere kwaliteit leveren. Inmiddels ontwikkelt de bouw zich overigens ook in deze richting: hoofdaannemers worden steeds meer inkoop- en coördinatiespecialisten, ze produceren nog maar weinig zelf.”

Passie en vakmanschap centraal
cepezed bestaat al 45 jaar en is geleidelijk gegroeid tot ruim 70 mensen. “Het gevaar van groeiende organisaties is vaak dat de liefde voor het eigen vak naar de achtergrond verdwijnt. Dat er stroperigheid ontstaat, met diffuse verantwoordelijkheden en minder betrokkenheid,” weet Ronald. Met de aanpak van cepezed is hij daar niet bang voor. “Wij zijn een vlakke organisatie waarin de projecten centraal staan. Elk project heeft een eigen projectleider die het hele traject verantwoordelijk blijft. Naar gelang de stand van het project krijgt deze ondersteuning van uiteenlopende ontwerpers en specialisten. Bij de teamsamenstelling zoeken we natuurlijk naar mensen met affiniteit en enthousiasme voor de opgave. Dit zorgt voor passie, een hechte samenwerking en continuïteit. De kern van het team blijft dus het hele traject gelijk. Als we zelf ook de inkoop en bouw coördineren, gaat dit zó ver dat een architect uit het ontwerptraject zelfs meewerkt in de werkvoorbereiding. In traditionele processen gaat namelijk veel kwaliteit verloren in de breuk tussen ontwerptraject en bouwproces,’’ vertelt Ronald.

Positieve energie

“Architectuur is zóveel meer dan alleen een leuk idee,” vindt Ronald. “Bovenal geloven wij niet in ‘monumenten voor de architect’. We ontwerpen echt voor mensen en werken keihard aan gebouwen waarin het fijn is om te zijn, met veel daglicht en een aangenaam binnenklimaat. Die moeten dan ook nog milieuvriendelijk zijn en toekomstgericht, met veel mogelijkheden tot steeds ander gebruik. Het wordingsproces vraagt om eindeloze communicatie, afstemming en een steeds complexer procesmanagement. In ontwerpprocessen heb je continu te maken met een steeds breder scala aan eisen en vaak wisselende wensen. Tegelijkertijd moeten we binnen strakke kaders te leveren. We proberen op een zo los en open mogelijke manier grip te houden. Onderweg blijven we gespitst op kansen om tot betere en duurzamere oplossingen te komen. De allerbelangrijkste drijver in een proces is echter een opdrachtgever met visie, ambitie en oog voor kwaliteit.”

Integrale afwegingen

“Net als in andere sectoren zijn de processen in de architectuur en bouw de afgelopen decennia steeds verder versnipperd,” weet Schleurholts. “Dat komt onder meer doordat er steeds meer technische en procesmatige eisen aan de totstandkoming van gebouwen gesteld worden. Bij aanvang van een ontwerptraject heb je dus al een enorme reeks technische specialisten aan tafel. De wensen en belangen van gebruikers, opdrachtgevers en overheidsinstanties komen daar nog eens bij. Al die verschillende partijen en specialisten komen niet vanzelf tot een samenhangend, gebalanceerd project. Onze rol als architect ligt daarom voor een belangrijk deel in afstemming. Aan de hand van een eerste ruimtelijke structuur, die houvast biedt, doen we dat onder meer door het initiëren en stimuleren van samenwerking tussen alle technische adviseurs, die zo tot integrale afwegingen komen.”

Open mind

Ronald heeft daarvoor wel goede partijen nodig, die aan de ontwerptafel echt met goede en soms onconventionele voorstellen komen. “Als we allemaal hetzelfde doen, komen we geen stap verder. We moeten elkaar aanvullen en scherp houden. Spanning mag op z’n tijd, als er maar onderliggend vertrouwen en respect is. Dat is de basis van een succesvolle samenwerking. In een goede samenwerking kun je niet-gestelde vragen beantwoorden, kun je een project echt meerwaarde geven en binnen alle stringente kaders tot verrassende oplossingen komen. Van onze ontwerppartners verwachten we dan ook een open mind én brede actuele kennis. We vragen ze over hun eigen disciplines heen te kijken en innovatieve oplossingen aan te dragen. We delen met elkaar waar we tegenaan lopen. We mogen niet vergeten dat we in een dienstverlenende sector werken en klanten in breedste zin van het woord willen ontzorgen. We willen inspireren en verrassen met een team dat goed loopt.”

Nieuwe eisen, trends en ontwikkelingen

De gebouwen van cepezed zijn opgezet als een soort groot bouwpakket dat schoon en droog wordt geassembleerd met geprefabriceerde bouwcomponenten. Lassen, storten en rommelen op de bouwplaats zelf is dus niet meer nodig: alle componenten worden ‘just in time’ aangeleverd en op de bouwplaats direct gemonteerd. Dit leidt niet alleen tot een hogere kwaliteit, maar ook tot efficiënter materiaalgebruik, een beter afvalmanagement en gezondere arbeidsomstandigheden.

Het denken in bouwsystemen heeft het daarnaast bovendien mogelijk gemaakt voortdurend in te spelen op nieuwe trends, eisen en ontwikkelingen. Zo draagt droge montage in belangrijke mate bij aan circulariteit. Onderdelen zijn binnen de methodiek ook eenvoudig te demonteren en vervolgens goed te hergebruiken. Ook biedt een bouwsysteem op basis van prefabricage de mogelijkheid onderdelen in het bouwpakket gedurende de levensduur te vervangen door verbeterde of verduurzaamde alternatieven. Prefab bouwen sluit ook goed aan op de trend van digitalisering. Schleurholts: “Met losse componenten bouwen we al virtueel in de computer. De heldere samenstelling uit elementen is daarbij ook gunstig voor de kostenbeheersing, toetsing aan de wetgeving en de uitvoeringscoördinatie. Het gaat zelfs zo ver dat we eisen vanuit het programma en de wetgeving in een database kunnen opnemen en die direct aan ons computermodel kunnen koppelen. Dat verbetert de borging op allerlei aspecten enorm. De digitale wereld is snel en biedt veel controle. Dat scheelt enorm in faalkosten bij de feitelijke bouw.”

Schiphol

cepezed kan volgens Ronald nog verder groeien door meer allianties aan te gaan. “We zijn de afgelopen jaren breder geworden in onze eigen dienstverlening, maar daarnaast is het slim meer samenwerkingen aan te gaan. De nieuwe pier van Schiphol hebben we via een ambitieuze internationale prijsvraag binnengehaald door samen te werken met een Amerikaans ingenieursbureau dat brede luchtvaartspecifieke kennis heeft. Met onze heldere signatuur konden wij goed het typische Nederlandse Schiphol DNA doorgronden en dat doorontwikkelen in ons ontwerp voor een pier met een duurzamere, luchtige architectuur. Dat zijn mooie en succesvolle samenwerkingsvormen.”

“De nieuwe kijk op de arbeidsmarkt vraagt om écht ondernemerschap”

Marjolein analyseert als directeur arbeidsmarkt trends en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Voor Randstad inventariseert en duidt ze deze en maakt haar bevindingen toegankelijk met artikelen, lezingen, gastdocentschappen en als spreker voor radio en televisie. “Als organisatie willen wij hiermee een bijdrage leveren aan de veranderende arbeidsmarkt. Hiermee proberen we de wereld een beetje beter te maken.”

We voelen allemaal dat er iets speelt en verandert in de wereld en dus ook op de arbeidsmarkt. De oude zekerheid om vanaf school tot aan de pensioengerechtigde leeftijd bij een bedrijf te werken in een vastomlijnde functie is er niet meer bij. “Hoe kan men met een zekere zekerheid in de toekomstige maatschappij leven, wonen, werken, leren en uitrusten?”

Onzekere uitkomst

Marjolein stelt: “We moeten ons realiseren dat het statische voorbij is. Ontwikkelingen kun je alleen bijbenen met bewegen en aanpassen.” Het is weliswaar een andere wereld, maar volgens haar niet per se een onzekerdere of onveiligere wereld. “Maar dan moeten we wel bepaalde zaken toekomstgerichter gaan organiseren. Ik merk dat mensen het lastig vinden om naar een niet-vastomlijnd doel te bewegen. We kennen binnen de arbeidsmarkt de factoren die arbeid beïnvloedt, maar de uitkomst waar we dan heen zouden moeten bewegen, is onbekend.” Ze doelt hier vooral op factoren als technologische ontwikkelingen, verduurzaming, de steeds ouder wordende mens en globalisering 4.0.

Baanbrekende oplossingen

Marjolein schetst: “Voorheen was alles duidelijk afgebakend. Dit is van ‘onderwijs’, dát is een ‘werkgever’, ‘dít is de verantwoordelijkheid van de overheid’ en daar gaat ‘dé vakbond’ over. Die onderverdeling is vertroebeld. De komende jaren verkennen we wat van wie is en zullen we ontdekken dat we moeten samenwerken. Dat kan niet meer op de oude manier,” voorspelt deze arbeidsmarktdeskundige/kenner. “We kunnen slecht over ons eigen belang en logo heen kijken. Vinden het zelfs verdacht als een ander dat wél doet,” weet Marjolein en benadrukt: “Samenwerken komt niet aanwaaien. Het vraagt om vertrouwen, elkaar iets gunnen, het eens zijn met elkaar. In het oude systeem was er één winnaar die met een idee aan de haal ging. We moeten nu op zoek naar het gezamenlijke uitkomst en gewin, zonder dat iemand de held wordt. Samenwerkende partijen kunnen dan tot baanbrekende oplossingen komen. Deze manier van kijken en werken heeft zijn weerslag op alle partijen in het ecosysteem.”

Publieke-private samenwerking

We hebben de samenwerking tussen overheid en het bedrijfsleven een beetje laten versloffen, maar Marjolein ziet deze samenwerking als veelbelovend. “Ik zie hele mooie dingen ontstaan als bijvoorbeeld onderwijs, bedrijfsleven en gemeentes samen aan de slag gaan. We mogen trots zijn op ‘het innoveren’ op zich. Dan bedoel ik niet alleen het einddoel, maar ook op het proces ernaar toe. De energie die je erin stopt is nodig om goed samen te werken. Dat mogen we vaker met elkaar delen.” Binnen het mbo ziet ze mensen uit het bedrijfsleven lesgeven om leerlingen eerder met nieuwe of bestaande beroepen in aanmerking te komen. “Een ander mooi voorbeeld is de Perspectiefverklaring die we met verschillende partijen hebben ontwikkeld.” Ze legt uit: “Mensen die geen vast contract hebben zijn hiermee wel in staat om voldoende perspectief aan een financieel dienstverlener te tonen op basis waarvan deze een hypotheek kan verstrekken.” Het gaat dus om flexwerkers die zonder een vast inkomen tóch perspectief op de arbeidsmarkt hebben. Dus werkzekerheid boven inkomenszekerheid. Ideaal voor uitzendkrachten.

Experimenteren
“Er liggen zoveel mooie dingen in het verschiet als we open en met elkaar in gesprek gaan. Ik weet ook niet hoe de toekomst eruit gaat zien, maar het is belangrijk dat we naar elkaar toe bewegen om het werkend te krijgen. Hier is lef, geduld en vertrouwen voor nodig. We moeten er open over zijn dat we elkaar niet altijd snappen. We moeten elkaar durven bevragen of we op de goede weg zijn. En ons durven verdiepen in nieuwe technologieën. Niet alleen via formele scholing, maar ook zelf op zoek gaan op bijvoorbeeld het web. Durf jezelf de vraag te stellen of je het snapt en kijk wat ontwikkelingen betekenen voor je product, dienst of businessmodel. En durf je dan te experimenteren?”

Experimenteren vinden we volgens Marjolein spannend. In de industrieelverzorgde wereld zijn we gewend dat alleen binnen de lijntjes kleuren, beloond wordt. “De nieuwe kijk op de arbeidsmarkt vraagt dus om écht ondernemerschap. Aan iedere directiekamer of boardroom vragen mensen zich af of ze het goed doen. Of iets een kans is of niet. Dit gaat zóveel verder dan een beetje aan business development doen. Het is belangrijk dat we écht met iets komen waar de consument van de toekomst op zit te wachten. Ooit was de vraag: ‘Wat doet digitale technologie met fotografie?’ Sommigen gingen ermee aan de slag. Anderen niet en dan stierf een wereldmerk.”

Solidair en sociaal

Marjolein wil mensen inzicht geven dat deze discussie over de toekomst van werk niet langs een contractsoort gevoerd moet worden. “Het gaat erom wat mensen nodig hebben om zich in de maatschappij staande te houden en te ontwikkelen. Werk helpt daarbij. Dat zorgt voor inkomen, netwerk, leren, status, plezier, etc. We zijn de scheiding gaan maken dat sommigen een veiligere situatie hebben omdat ze in dienstverband werken, dan anderen. We leven in een wereld waarin een baan niet meer voor het leven is. Deze ontwikkeling moeten we met moderne zekerheid omgeven. Oud-denken over zekerheid heeft een eeuwigheid in zich. Als die eeuwigheid weg is, kun je denken aan andere producten. Iedereen moet toch mee kunnen doen op de arbeidsmarkt en op een eigen manier kunnen bijdragen? Het mooie aan deze kant van de wereld is dat we dat solidair en sociaal organiseren.”

Toekomstige arbeidsmarkt

Onderzoek toont aan dat over 20 jaar de helft van de huidige betaalde functies niet meer bestaat. Doordat deze door machines overgenomen zijn. “Dat betekent dat we ons moeten aanpassen op de technologische ontwikkelingen, maar wat mij betreft moeten we ook kijken naar de definitie van werk. Hoe kijken we bijvoorbeeld naar inkomen? Stel je voor dat mensen voor hun plezier iets gaan doen waar ze voor opgeleid zijn. Als je daar niet genoeg inkomen mee genereert, doe je er iets naast. Die gedachtegang vind ik om over na te denken. Wat dat betreft zouden we goed naar de ontwikkeling van zzp’ers moeten kijken. Zij hebben veel van de toekomstige arbeidsmarkt in zich. Hier zouden we een solidaire saus overheen kunnen gieten zodat we collectief een zekere levensstandaard hebben. Dat is goed voor ons allemaal.”